Verdieping – Marius van Hoogstraten
Vertrouwen zonder (extra) garantie
Het lijkt aan de ene kant een wat archaïsch principe: doopsgezinden zweren geen eden. In navolging van Jezus’ woorden in de Bergrede (Matteüs 5-7) hoort het niet-zweren er al bij sinds het prille begin van de doperse beweging. Naast de volwassenendoop is het eigenlijk de enige kernwaarde die ook consequent door doperse kerken en gemeenschappen in de hele wereld en door de eeuwen heen serieus genomen wordt.
Dus: best belangrijk. Maar ook, lijkt het, wat verouderd. Immers heeft de eed als maatschappelijk instituut niet meer de betekenis die het in het verleden heeft gehad. Verklaringen en beloftes worden alleen in heel plechtige situaties nog met een eed bezegeld — en dan kan je eigenlijk altijd wel ‘beloven’ in plaats van zweren. In het begin van de doperse beweging in de zestiende eeuw had het enorme gevolgen als je nooit wilde zweren: tegenwoordig heeft het eigenlijk helemaal geen gevolgen meer.
Dus wat doen we ermee? Laten we eerst eens kijken wat een eed eigenlijk is of was, om dan hopelijk beter te begrijpen waarom het voor de vroege dopers zo belangrijk was daar een kernpunt van te maken.
Een kruispunt van het aardse en heilige
Een eed is in principe een plechtige en geïnstitutionaliseerde garantie die je geeft voor een verklaring of belofte door je te beroepen op een goddelijke of heilige kracht. Wie zweert zet iets in op zijn verklaring, iets dat voor hem of haar echt iets betekent: een bezitting, familieleden, of zelfs het eigen leven of eeuwige heil, om het waarheidsgehalte van wat diegene zegt kracht bij te zetten. De meest oorspronkelijke vorm daarvan in de westerse geschiedenis is een soort voorwaardelijke zelf-vervloeking: je roept iets verschrikkelijks over je af in het geval dat je liegt of je niet aan je belofte houdt.
De eed is lang een echt ankerpunt voor politieke en juridische verhoudingen in de westerse samenleving, als een soort kruispunt van aardse en heilige zaken. Een historicus beschrijft de betekenis van de eed in de late middeleeuwen als niets minder dan “de basis van elke autoriteit en normatieve macht, de metapolitieke wortel van het recht, [en] het verbindingspunt tussen de onzichtbare wereld en die van de mensen.”
Maar in de Bergrede zegt Jezus het volgende:
Jullie hebben ook gehoord dat destijds tegen het volk werd gezegd: Leg geen valse eed af en houd je aan de eden die je voor de Heer gezworen hebt.” Dit zeg Ik daarover: “zweer helemaal niet, noch bij de hemel, want dat is de troon van God, noch bij de aarde, want dat is zijn voetenbank, noch bij Jeruzalem, want dat is de stad van de grote koning; zweer evenmin bij je eigen hoofd, want je kunt nog niet één van je haren wit of zwart maken. Laat jullie ja ja zijn, en jullie nee nee; wat je daaraan toevoegt komt voort uit het kwaad.
Matteüs 5:33-37
In de vroege kerk gingen daarom ook al stemmen op niet meer te zweren. Toch werd al snel vastgesteld dat de eed maatschappelijk zó belangrijk was, dat dat niet vol te houden was. In plaats daarvan ging de kerk juist een rol spelen bij het zweren.
Doperse stemmen
Juist die maatschappelijke functie van de eed is belangrijk om te begrijpen waar het de vroege dopers om gaat als zij wél weigeren eden af te leggen. Er staat immers wel meer in die Bergrede: waarom zou je nou uitgerekend van dit stukje zo’n punt maken? Volgens mij is dit zo centraal geworden omdat het veel zegt over de manier waarop de mensen omgaan met God, en hoe de relatie tussen God en de politieke orde wordt gezien. Het is een van de radicaalste politieke acties die je destijds kon ondernemen, en vanuit het perspectief van de heerser gezien in eerste instantie erg gevaarlijk. De eed weigeren is, zou je kunnen zeggen, een principieel protest tegen de manier waarop God wordt ingezet om politieke heerschappij en economische afhankelijkheden te bezegelen. Wie niet zweert, wil daaraan in het geheel niet meer meedoen.
Dat was in elk geval wel het effect: wie niet wilde zweren onttrok zich aan de heerschappij van de vorst of politieke orde, kon nergens meer aan meedoen, en plaatste zichzelf dus buiten de maatschappij. Dat paste goed bij sommige dopers, die benadrukten dat hun loyaliteit sowieso elders lag en dat de kerk echt een alternatieve gemeenschap moest zijn, op kritische afstand van de rest van de wereld.
Maar we vinden ook een principiëler argument: zo argumenteren de Artikelen van Schleitheim (1527) dat zweren iets is voor mensen die ruzie maken en zomaar wat beloven. Eerlijke christenen hebben zoiets niet nodig. Sterker nog, zij weten dat je eerlijkheid en betrouwbaarheid niet zomaar eens eventjes kunt garanderen met een beroep op God, maar alleen kunt leven. Met de eed proberen mensen de wereld onder hun eigen macht te brengen, in elk geval wat die afspraak of deze verklaring betreft, en ze willen zelfs God ervoor rekruteren dat te onderschrijven. Maar ‘je kunt nog niet één van je haren wit of zwart maken’: de wereld is niet onder de macht van de mensen, maar onder die van de Schepper. Eerlijkheid betekent ook dát te respecteren.
Menno Simons vindt (niet-)zweren weliswaar ietsjes minder belangrijk dan Schleitheim. Maar ook bij hem vinden we een dergelijk argument: in gehoorzaamheid aan Jezus’ woorden moeten christenen eerlijk zijn op zo’n manier dat hun ja en nee genoeg zijn. In de Martelaarsspiegel, waarin verhalen verzameld werden van (in het bijzonder doperse) christenen die om hun geloof vervolgd en geëxecuteerd werden, komen vijf ‘martelaars’ voor die de eed geweigerd hadden. In latere confessies zoals uit Dordrecht (1632) of die van Cornelis de Ris (1766) komt het verbod op zweren ook voor.
Tegen die tijd was het evenwel in Nederland niet meer zo gevaarlijk te weigeren een eed af te leggen. In andere landen duurde het langer voordat doperse gemeenschappen een uitzondering kregen (in Zwitserland pas in de 19e eeuw). Maar in de Nederlandse republiek werden er al heel vroeg uitzonderingen gemaakt, soms door de persoonlijke interventie van de Prins van Oranje. Tegen het eind van de zestiende eeuw bevestigden de Staten-Generaal al dat doopsgezinden mochten ‘beloven’ waar anderen moesten zweren. Samen met de relatieve tolerantie die er toen in Nederland heerste waren de dopers dus al snel — en anders dan elders op de wereld — geen paria’s meer.
Tegenwoordig
Omdat zweren niet meer zo’n centraal maatschappelijk instituut is, en we ook niet meer de aspiratie hebben onszelf buiten de samenleving te plaatsen, lijkt deze kernwaarde daarmee ook minder relevant geworden. Maar het gesprek tussen twee doopsgezinden dat we zojuist gelezen hebben, en het gesprek met Mirko daarvoor, laat zien dat het op een bepaalde manier juist veel betekenis heeft: als betrouwbaarheid en een zekere moed tot de waarheid in een wereld waar waarheid juist erg in het geding is gekomen. Doopsgezinden gaan — tenminste, dat is de aspiratie — de waarheid niet uit de weg, en ze schuiven de verantwoordelijkheid voor hun eigen waarachtigheid niet af op anderen. Maar ze weten ook dat je waarheid niet zomaar kunt garanderen. Er is geen laatste woord, geen institutie die het voor je regelt. Je moet het leven. Doopsgezinden, is de aspiratie, staan voor hun woorden, als gelijken onder gelijken, bereid om de waarheid te spreken, te horen, en ernaar te handelen.
Lees verder:
- Marius van Hoogstraten (2025), Community and Catastrophe: An Ecclesio-Political Reading of the Schleitheim Confession. Londen.
- Edmund Pries (2023), Anabaptist Oath Refusal: Basel, Bern, and Strasbourg, 1525– 1538, Thunder Bay, ON.
- Art. “Oath”, in: Global Anabaptist Mennonite Encyclopedia Online, ed. by Chr. Neff, H. S. Bender and W. Klassen (1958), https://gameo.org/index.php?title=Oath&oldid=166261