Kernwaarde 6 van 8

Macht delen: een gemeenschap zonder hiërarchieën ‘Priesterschap van alle gelovigen’

Verdieping – Annegreet van Wijk

In het gesprek oppert Charlie dat het Engelse woord voor macht ook met power vertaald kan worden en daarmee appelleert aan het Nederlandse ‘kracht’. Kracht inzetten klinkt vriendelijker dan het woord ‘macht’. Bij het woord ‘macht’ denken we snel aan machtsmisbruik. Dit hoeft echter niet zo te zijn. Macht is het vermogen een ander ertoe te bewegen iets te doen wat zij/hij anders niet gedaan zou hebben. Daarin schuilt een negatieve en een positieve connotatie; iemand in beweging zetten is prachtig, maar niet als het in beweging zetten misbruik maakt of schade berokkent.  

Er zijn heel veel factoren die invloed hebben op macht. In een geloofsgemeenschap zijn dit volgens Harm Dane:

  1. Charisma  

  2. Erkende deskundigheid  

  3. Vertrouwen  

  4. Formele macht

  5. Toegang tot besluitvorming

  6. Informele macht

  7. Kennis van de organisatie

  8. Spreek- en taalvaardigheid

  9. Persoonlijkheid en sociale vaardigheid

10. Zingevingsmanagement

11. Het wij-gevoel van de groep

12. Geld en tijd

13. Sociaal-culturele (voor)oordelen

14. Het ‘honingpot-effect’: Wie macht heeft wordt machtiger

In het gesprek met Hajo en Charlie kwam naar voren dat de oudere generatie meer bij besluitvorming betrokken is dan de jongere generatie. Dit heeft met beschikbaarheid van tijd te maken maar ook met toegang tot besluitvorming. Want hoe word je vertegenwoordigd als je niet bij een Ring aangesloten bent maar betrokken bent via een jongerenorganisatie? Of als je geen lid bent van een lokale gemeente maar in de ‘kaartenbak van de ADS’ zit?

Macht is een intermenselijk krachtenspel. Verschillende vormen van macht kunnen een rol spelen in een geloofsgemeenschap. Dat is ook het eerste wat Mateusz opmerkte in het interview vanuit het buitenperspectief: ‘Waar mensen samenkomen ontstaat er altijd een machtsverhouding toch?’

Als ‘macht delen’ een belangrijke waarde is hoe zorg je er dan voor dat je geen speelbal wordt te midden van al die verschillende krachten? Daar komt het idee van ‘priesterschap der gelovigen’ om de hoek kijken; voor de vroege dopers was de Bijbel, navolging in Christus en vertrouwen op de Heilige Geest binnen de gemeente de manier om geworteld te blijven en gemeenschap te vormen. Hierbij is ieder zijn/haar inbreng van belang, alleen met elkaar kan de Bijbel geïnterpreteerd worden en de gemeente van Christus worden gevormd.

Macht delen: samen de Bijbel lezen en Christus volgen onder leiding van de Heilige Geest 
‘Priesterschap der gelovigen’ is een belangrijke doperse waarde. Deze waarde heeft zijn wortels in het vroege doperdom in de 16e eeuw en kreeg vorm in zogenaamde community hermeneutics. Interpretatie van de Bijbel vond plaats binnen de gemeente (en niet door een priester) met behulp van de Heilige Geest. Het was een sterke reactie op de middeleeuwse kerk waar hiërarchie en de macht van paus, bisschoppen en priesters uitgelopen was op machtsmisbruik. Ook was de praktijk van community hermeneutics een reactie op het individualisme van bepaalde spiritistische groeperingen ten tijde van de reformatie die zich helemaal overgaven aan de werking van de Heilige Geest zonder dit te toetsen in de gemeenschap. Daarnaast was de nadruk op het gezamenlijk interpreteren van de Bijbel ook een reactie op hoe andere stromingen in die tijd invulling gaven aan ‘sola scriptura’ – de overtuiging dat alleen de Bijbel de hoogste autoriteit moet zijn. Dit was eigenlijk iets wat alle reformatoren gemeen hadden, maar zowel Luther als Zwingli gaven toch autoriteiten de ruimte om interpretatie te beïnvloeden.

De eerste doopsgezinden keerden zich met gevaar voor eigen leven af van de middeleeuwse katholieke kerk en ook van de andere reformatoren. De dreiging van vervolging in combinatie met de overtuiging dat de gemeente de plek is waar Gods doel gerealiseerd wordt en waar de Heilige Geest werkzaam is maakte dat bijbelse interpretatie nauw was verbonden met de ethiek van de gemeente. Mensen moesten na de doop in hun dagelijks leven blijk geven van hun wedergeboorte als ’nieuwe mensen’, navolgers van Christus. De gemeente moest in woord en daad een heilige gemeente zijn. ‘Tucht’, ‘ban’ en ‘mijding’ zijn belangrijke onderdelen van deze eerste doperse beweging. De gemeente keerde zich af van de wereldse overheden.  

Hierin speelde ‘oudsten’, ook wel ‘herders’, een belangrijke rol. Alle Hoekema stelt dat doopsgezinden in de 21e eeuw trots zijn op de platte, niet-hiërarchische structuur van de gemeenten, maar dat ze lijken te zijn vergeten dat Menno Simons (1496-1561) en zijn tijdgenoten wel degelijke een zekere hiërarchie van ‘ambten’ kenden. Volgens Hoekema functioneerden de toenmalige oudsten ‘als niet-priesterlijke, pastorale bisschoppen die middels een conciliair bestuur waakten over de leer en het leven van de gemeente.’ Het voorgangersambt ging vooral over of je geroepen was door God en geïnspireerd door de Heilige Geest. Kip schrijft hierover; ‘dit was een weg van vallen en opstaan. Zo bekende Obbe Philips dat hij oudsten (waaronder Menno Simons) had gewijd, terwijl hij in de lijn van apostolische opvolging onder invloed van de Heilige Geest had moeten staan maar deze op het moment van zijn wijding niet had ervaren. Jan van Leyden daarentegen meende de werking van de Geest wel te ervaren en richtte in Munster een bloedbad aan.

Met het groeien van de doperse beweging in de 16e eeuw was het wel een hele opgave om de gemeente ‘puur’ te houden. Verschillende vergaderingen tussen oudsten moesten daar uitkomst in brengen. Een van de bekendste is de vergadering die te Schleitheim (Zwitserland) gehouden werd in 1527. Hier werd een aantal artikelen geformuleerd dat voor eenvormigheid in de gemeenschap moest zorgen, bijvoorbeeld rondom vragen over avondmaal, doop, ‘ban en mijding’ en het verkiezen van ‘herders’. Ook hier valt op hoe zeer er een scheiding wordt aangegeven tussen de wereld en de gemeente. De doperse beweging was dan ook een sterke aanklacht tegen het wereldse in de kerk; de inmenging van kerk en staat. De macht waar de Doperse beweging trouw aan was; was de macht in Christus.

In de loop van de eeuwen is deze sterke scheiding tot de wereld verschoven. Door de eeuwen heen weet de geloofsgemeenschap zich te assimileren en te emanciperen.
Piet Visser beschrijft dit als: ‘van de brandstapel (vervolgd), via schuilkerken (gedoogd) naar de liberale volkskerk van de negentiende eeuw (gelijkgesteld).’

Priesterschap der gelovigen, de rol van de predikant – en geestelijke onderscheiding
Met het verbreden van de doperse identiteit gaat het steeds minder over een gemeente die zich afzondert van de wereld maar over een gemeente die zich steeds verder verbindt met de wereld. Dit komt ook naar voren in het gesprek van Hajo en Charlie. Met hun inzet voor de doopsgezinde geloofsgemeenschap hopen ze de waarden van de gemeenschap verder de wereld in te dragen. Maar om welke waarden gaat het dan precies? Of zoals Mateusz zich afvroeg: “hoe is dat nu met die bijbelse laag? Ervaren doopsgezinden ook dat ze bezig zijn iets heiligs vorm te geven?” Is de overweging die Hajo en Charlie noemen, aan het begin van de ledenraadsvergadering, een agendapunt of een teken van dragende spiritualiteit?  

Juist op dit vlak signaleert Marjan Kip een onbalans. Kip komt tot de conclusie dat de verbreding van de doperse identiteit niet gepaard is gegaan met een dieper wortelen in de doperse waarden; als navolging van Jezus, de Bijbel of de Heilige Geest. Kip verwijst hierbij naar eerder onderzoek van Hijme Stoffels die onderzoek deed naar doopsgezinde belijdenissen. Uit dit onderzoek komt naar voren dat Jezus voor doopsgezinden vooral een wijsheidsleraar is, weinigen ervaren een persoonlijke relatie met Jezus. Minder dan de helft van de 203 onderzochte belijdenissen bevatten een verwijzing naar de Bijbel. Over de Heilige Geest schrijft Kip:

‘luisteren naar de Geest’ is iets dat doopsgezinden in de 21e eeuw niet meer willen of kunnen. Slechts in 70 van de 203 door Stoffels onderzochte belijdenissen wordt de Heilige Geest genoemd, en dan nog weet niet iedereen daar raad mee.

Het gevolg hiervan is dat er een stuk geworteldheid, een stuk bijbelse en christelijke inspiratie, lijkt te verdwijnen uit de gemeenschapsvorming. De sociale verbinding lijkt even belangrijk als de geloofsovertuiging. En dit komt ook naar voren aan de bestuurstafel. Hajo zegt hierover: “het is best moeilijk om die waarden op tafel te houden. Die waarden kunnen verwateren door het doenerige karakter van het bestuur.” Of zoals Charlie zegt: “Vraag je je wel eens af bij een vergadering: in hoeverre is dit besluit een teken van mijn geloof? Of is dit een Doopsgezind besluit? Ga je dan bij jezelf te rade?” Hajo refereert vervolgens aan een bestuurlijk lastige situatie waarin hij vooral steun heeft ervaren uit de verbondenheid met medebestuursleden. De vraag is hoe dat verbonden is met zijn geloof. Die vraag stellen, die laag van theologische betekenis openen is de taak van een voorganger.  

Daarmee heeft de voorganger niet een andere status of meer macht dan een gemeentelid, maar een speciale expertise die van belang is bij het vormgeven en opbouwen van de geloofsgemeenschap. Een expertise die gegrond is in theologische kennis en die taal aanreikt, die in deze seculiere tijd, de brug slaat tussen praktijk en traditie. Het is een taal die niet voorbehouden is aan de voorganger maar die eigen gemaakt moet worden, of waar mensen zich weer bewust van moeten worden. Zoals Mateusz in het interview opmerkt: ‘Het is mooi dat je je eigen belijdenis mag schrijven om echt van binnenuit zelf woorden te geven aan je geloof. Maar als dat gesprek alleen over zingeving gaat en God steeds verder wegraakt dan is dat op een gegeven moment niet meer mogelijk’. Naast het aanreiken van taal, of juist in verbinding daarmee is het ook de vraag hoe de voorganger de gemeente gevoelig kan maken voor het afstemmen op de Heilige Geest. Dit vraagt naast het ‘hoofd en de handen’ meer ruimte te maken voor het ‘hart’. Kip houdt dan ook een pleidooi voor meer contemplatieve oefening, geestelijke onderscheiding, binnen de gemeenten en besluitvorming.  

Deze diepere worteling is nodig gezien de uitdagingen die voor ons doopsgezinden liggen in tijden van secularisatie en vergrijzing. Als gevolg van de vergrijzing daalt het aantal proponenten sneller dan dat de gemeenten kleiner worden. Dit maakt dat de druk op de gemeenten zelf toe zal nemen om zich ook te specialiseren in het vormgeven van priesterschap der gelovigen. Daarnaast zal de manier van gemeenschapsvorming veranderen. In de toekomst zullen de gemeenschapsvormen meer fluïde worden. Zoals er nu gemeenschappen ontstaan in Dopersduin, in de Digitale Kapel of via Menno’s Global Village. Juist binnen die nieuwe vormen staan andere generaties aan het roer. De huidige bestuursstructuur die georganiseerd is op basis van autonome lokale gemeente zal een creatieve beweging moeten maken om een afspiegeling te blijven van de eigenlijke gemeenschap.

Het priesterschap der gelovigen vraagt heel wat van mensen. Maar als we macht delen; als we met elkaar betekenis geven aan onze christelijke traditie vanuit ons hoofd, hart en met onze handen. Als we samen dat ‘lichaam van Christus’ zijn, zou het dan ook niet makkelijker worden elkaar aan te spreken? 

Lees meer: