Kernwaarde 8 van 8

Omzien naar de ander: Verantwoordelijkheid nemen: diaconie

Linde, Joris, Fred en Hermine


Linde: Ik weet dat het om hulp aan mensen gaat en dat er collectes voor goede doelen worden gehouden, maar ik heb daar verder weinig mee te maken en ik weet er ook niet veel over.

Hermine: Waar haal jij in het algemeen je informatie vandaan?

Linde: Uit informatieve video’s online en de NOS-app.

Joris: Waarom doen doopsgezinden eigenlijk aan diaconie? En is dat anders dan geld geven aan goede doelen door iedereen?

Hermine: Dat is wel een wezenlijke vraag. Als ik het voor mezelf beantwoord: ik ben doopsgezind geworden, ik heb me laten dopen omdat ik geïnspireerd werd door wat Jezus deed en zei. Kortom: ‘heb je naaste lief als jezelf’ en zie dus ook om naar de ander die het minder heeft. Maar ik zal dat meestal niet zo nadrukkelijk formuleren.

Joris: Ik had eigenlijk nog nooit van doopsgezinde diaconie in binnen- en buitenland gehoord.

Hermine: Dat we niet zo naar buiten treden heeft denk ik ook te maken met de geschiedenis van de doopsgezinden. Mensen hebben het over de ‘stillen in den lande’ – dit komt uit een tijd waarin we werden getolereerd zolang we niet te veel naar buiten traden. Dus, niet op de voorgrond treden met wat je doet.

We zitten in een spagaat: enerzijds wil je als kerkelijke organisatie laten zien wat je doet, anderzijds wil je je ver houden van borstklopperij.

Fred: Veel Nederlanders beseffen niet dat er in onze maatschappij veel goeds gedaan wordt door mensen vanuit een religieuze motivatie. Denk daarbij aan het bestrijden van eenzaamheid en armoede, hulp aan vluchtelingen, vredeswerk. Op dit gebied wordt veel gedaan door kerkelijke (vaak vrouwelijke) vrijwilligers, meestal zonder de bedoeling ‘zieltjes te winnen’.

Hermine: Hoe zie jij die balans tussen vertellen over wat je doet en in stilte goed doen?

Fred: Het is natuurlijk goed als je in stilte diaconie bedrijft, maar je hoeft er niet vies van te zijn te vertellen wat je aan diaconie doet, vanuit welke inspiratie je dat doet en vanuit welke traditie (bijvoorbeeld de pacifistische doperse traditie).

Dat kan op verschillende gebieden. Gastvrij zijn voor vluchtelingen, dak- en thuislozen, eenzamen. Verbinding zoeken met anderen in de dingen die je doet.

Hermine: Maar dan is er altijd de valkuil van een paternalistische houding: beslis jij wat goed is voor de ander? Dit geldt voor diaconaal werk zowel in binnen- als in buitenland.

Fred: Ik ken de doopsgezinden als vrijzinnig en verwacht dat zij aan diaconie geen voorwaarden verbinden. Ik zie een parallel met een tendens in de zorg: het proto-professionaliseren dat wil zeggen dat de huidige patiënt mondiger is geworden en met meer kennis in gesprek gaat met de arts of verpleegkundige. In de diaconie hebben jullie ook te maken met een zorgvrager die een gelijkwaardige gesprekspartner wil zijn. Dat betekent vooral luisteren naar die ander.

Hermine: Hulp aan mensen in het buitenland werd in het verleden vaak gekoppeld aan zending. Dat geldt ook voor de doopsgezinde zending. Er is op dit moment veel aandacht voor het koloniale verleden van de verschillende protestantse zendingsorganisaties.

Fred: Het woord ‘zending’ geeft me de kriebels. Maar dat geldt niet alleen voor dat koloniale verleden. Ook nu zijn er religieuze organisaties die missionair werken en dat maakt interreligieus samenwerken lastig.

En als het om hulp in het buitenland gaat, de transitie maken van koloniale relaties naar onderlinge solidariteit. De reflecties op je verleden laten zien. In conflictgebieden mensen steunen die de dialoog aangaan.

Joris: Hoe bepaal je als ‘diaconie’ aan welke doelen je geld geeft?

Hermine: Laat ik eerst zeggen dat er op allerlei niveaus hulp wordt gegeven. Doopsgezinde gemeenten hebben soms een diaconie of een diaconaal potje, maar er zijn landelijk ook doopsgezinde organisaties die diaconale projecten steunen. Ik denk bijvoorbeeld aan Doopsgezind Wereldwerk en de Stichting voor Doopsgezinde Geloofsopbouw en Solidariteit en diverse doopsgezinde fondsen. Die organisaties bepalen zelf aan welke doelen geld wordt gegeven. En het gaat niet alleen om geld geven, maar soms ook om actieve hulp via bijvoorbeeld voedselbanken.

Joris: Zijn die doelen specifiek christelijk of nog specifieker: doopsgezind?

Hermine: Sommige fondsen vermelden op hun website dat bij voorkeur geld wordt gegeven aan doopsgezinde aanvragers. Maar in veel gevallen is het niet noodzakelijk dat de aanvragers doopsgezind zijn. Nu we het toch hebben over de fondsen: dat is ‘oud geld’, dat wil zeggen dat in het verleden doopsgezinden geld bijeen hebben gebracht om bijvoorbeeld arme mensen ’s winters van turf te voorzien, of om weeskinderen op te vangen in een weeshuis. Uit de jaarlijkse rente van dit vermogen kunnen de fondsen dan nu hulp geven. Er is gevoelsmatig wel verschil tussen dit ‘oude’ geld en geld dat bewust door doopsgezinden nu via collectes etc. bijeen wordt gebracht. De betrokkenheid is in dat laatste geval groter.

Joris: Hoe zit dat met de uitvoering? Is dat landelijk of per doopsgezinde gemeente?

Hermine: Als het om individuele personen gaat wordt zorgvuldig met hen omgegaan. Het ontvangen van donaties en hulp is voor mensen vaak lastig, ze schamen zich om het te moeten vragen. Daarnaast hebben we diaconale projecten. Dat kunnen lokale doelen zijn. Het voordeel daarvan is dat de leden van de doopsgezinde gemeente de doelen beter kennen, meer betrokken zijn en de resultaten gemakkelijker zien.

Door de privacy(wetgeving) is het lastig de mensen te vinden die behoefte hebben aan hulp. Daarom wordt vaak samengewerkt met organisaties, die wel directe contacten met deze mensen hebben.

Er zijn ook landelijke doopsgezinde organisaties die zich richten op goede doelen/diaconale projecten. Dat kan in samenwerking met doopsgezinde gemeenten en/of doopsgezinde fondsen.

Joris: Is het voor niet-doopsgezinden duidelijk waar zij eventueel een aanvraag kunnen doen? Moet je worden voorgedragen door een doopsgezinde?

Hermine: De meeste fondsen hebben een website waarop staat hoe je een aanvraag kunt doen en welke criteria worden aangelegd.
Wat zou je ons adviseren als we communiceren over onze diaconale projecten?

Linde: Het is belangrijk dat je met elkaar spreekt over je (kerkelijke) motivatie om anderen te helpen. En dat je in gesprek gaat met de mensen die om hulp vragen en goed naar hen luistert. Dat geldt voor hulp in binnen- en in buitenland. Wees duidelijk over wat je doet, wat je visie is en wat je motiveert.