Kernwaarde 8 van 8

Omzien naar de ander: Verantwoordelijkheid nemen: diaconie

Verdieping – Fernando Enns en Hermine Dekkers

Wat motiveert doopsgezinden om te zien naar de medemens – en de hele schepping? ‘Diaconie’ betekent andere mensen dienen.

In de Bijbel
Al in de eerste christelijke gemeenschappen wilden de leden in navolging van Jezus elkaar en de wereld dienen, net zoals Jezus in de wereld kwam, niet om gediend te worden, maar om te dienen (zie Marcus 10:45).

Een van de bekendste parabels van Jezus is het verhaal van de barmhartige Samaritaan (Lucas 10:25-37). Dit is een voorbeeld van de vraag wie mijn naaste is, voor wie ik verantwoordelijk ben, voor wie ik moet zorgen. Er zitten verschillende clous in dit verhaal verborgen: noch de priester, noch de ‘leviet’ (tempeldienaar) ontfermen zich over het slachtoffer van een overval, zoals je zou verwachten. Maar de ‘Samaritaan’ (een etnische groep die door de joden laag werd ingeschat) doet het juiste. En de vraag werd omgekeerd: “wie is hier de naaste van het slachtoffer geworden?” Het gaat dus niet alleen over het helpen van de naasten, ‘onze buren’ in nood, maar over hoe we naasten kunnen worden van mensen in nood door hen te helpen. De focus ligt op het leven in rechtvaardige relaties! – En het antwoord is: “Hij die hem barmhartigheid betoonde”. Wie barmhartigheid beoefent, beleeft de interpersoonlijke relatie zoals God die bedoeld heeft – en hoe God zich tegenover mensen gedraagt.

Naaste worden van de ander is ook op allerlei plaatsen in de Thora (de eerste vijf boeken van de Hebreeuwse Bijbel) te lezen. Daar zijn regels gegeven, bijvoorbeeld voor bescherming van de vreemdelingen, de weduwen, de wezen en de armen.

Vreemdelingen mag je niet uitbuiten of onderdrukken, want jullie zijn zelf vreemdelingen geweest in Egypte. Weduwen en wezen mag je evenmin uitbuiten.

Exodus 22:20-21

Armen zullen er altijd zijn bij u. Daarom gebied ik u vrijgevig te zijn tegenover iedereen in uw land die in armoede leeft of er slecht aan toe is.

Deuteronomium 15:11

Het idee is dat een mens die goederen bezit niet de eigenaar is, maar alleen als rentmeester deze goederen beheert – en dus de plicht heeft ervan uit te delen als anderen het nodig hebben. Uit die oudtestamentische teksten blijkt overigens ook dat mensen niet altijd uit zichzelf omzagen naar de armen, maar daar regelmatig aan moesten worden herinnerd. (Deuteronomium 15:7-11).

Jezus staat in die traditie: dat je je medemens moet helpen, barmhartig moet zijn, maakt Hij in woord en daad duidelijk. De verhalen in de evangeliën getuigen daarvan. In de zogenoemde bergrede (Mattheus 5-7) geeft Jezus richtlijnen voor het leven, uitgaande van de Thora. In deze bergrede wijst Jezus er ook op dat je je er niet op moet laten voorstaan als je mensen helpt.

Dus wanneer je aalmoezen geeft, bazuin dat dan niet rond, zoals de huichelaars doen inde synagoge en op straat om door de mensen geprezen te worden

Mattheus 6:2

Anderzijds zegt Hij:

Laat zo uw licht schijnen voor de mensen, opdat zij uw goede werken zien en uw Vader, die in de hemelen is, verheerlijken

Mattheus 5:16

Het lijkt een tegenspraak, maar het gaat dus niet om de verheerlijking van degene die geeft, maar om de verheerlijking van God – de gever van alle gaven. En dat betekent dat je ook mag laten zien dat je omziet naar de ander, geïnspireerd door je geloof.

Handelingen 6 vertelt ons over de verkiezing van de eerste zeven ’diakenen‘ in de vroege christelijke gemeente:

Toen het aantal leerlingen toenam, ontstond er op een gegeven moment ontevredenheid bij de Griekstaligen, die de Hebreeuwssprekenden verweten dat de weduwen uit hun groep bij de dagelijkse ondersteuning werden achtergesteld. Daarop riepen de twaalf apostelen de voltallige gemeenschap van leerlingen bijeen en zeiden: ‘Het is niet goed dat wij de zorg dragen voor de gemeenschappelijke maaltijden (Grieks διακονεῖν), want daardoor verwaarlozen we de verkondiging van Gods woord. Kies daarom, broeders en zusters, uit uw midden zeven wijze mannen die goed bekendstaan en vervuld zijn van de Geest. Aan hen zullen we deze taak opdragen …

Handelingen 1-3

Doopsgezinden
Voor doopsgezinden is in dit opzicht naast de bergrede de jacobusbrief altijd een belangrijke inspiratiebron geweest. Je geloof is niet alleen iets wat je belijdt, je moet het ook omzetten in actie. Anders is het een dood geloof.

Zoals ook het lichaam dood is zonder ziel, zo is ook geloof zonder daden dood

Jakobus 2: 26

Bij ‘daden’ moeten we denken aan alles wat je doet, je hele leefstijl. Een belangrijk aspect daarvan is het omzien naar de ander: naar wezen en weduwen bijvoorbeeld (Jacobus 1:27). Maarten Luther vond deze brief maar een ‘strooien brief’ die hij het liefst in het vuur geworpen zag. Naar zijn gevoel schreef Jacobus dat je door je dáden wordt gerechtvaardigd en niet door je geloof alleen. Menno Simons en Melchior Hofmann, vroege anabaptisten, geloofden wel dat een mens door het geloof wordt gerechtvaardigd, maar ze vonden dat daar te veel nadruk op werd gelegd en dat er te weinig op werd gewezen dat je je geloof ook in daden moet laten zien. Menno Simons gaf als opdracht aan de gemeenten:

Sy bewijzen Barmhertigheydt ende liefde, soo veel als in haer is. Sy laeten genen Beedelaer onder haer zyn

In 1943 vatte doopsgezind predikant Smeding in vier regels samen waar doopsgezinden naar zijn mening voor staan:

Dopen wat mondig is, Spreken dat bondig is, Vrij in het christelijk geloven, Daden gaan woorden te boven

Er hangen heel wat makkummer bordjes met deze tekst bij doopsgezinden aan de wand. Die laatste zin ‘daden gaan woorden te boven’ verwijst dan naar het laten zien van je geloof in daden. Die regel is de meeste doopsgezinden op het lijf geschreven.

In sommige van de eerste doopsgezinde gemeenten was er volledige gemeenschap van goederen, vanuit het idee dat je rentmeester bent en geen eigenaar van je bezit. Al gauw was bezit wel toegestaan, maar er werd van de mensen die rijker waren wel verwacht dat ze deelden waar dat nodig was. Het was de bedoeling dat ze dat uit eigen beweging zouden doen, pas toen dat niet voldoende opbracht werden er ook collectes gehouden. Armen werden ondersteund, maar er werd wel geëist dat zij van onbesproken gedrag waren.

In tijden van economische neergang waren er veel armen die ondersteund moesten worden. In die periode werden doopsgezinde weeshuizen en hofjes gesticht. Soms werd er ook samengewerkt met de overheid en met de calvinisten. Incidenteel werd er hulp gegeven aan het buitenland, bij voorbeeld bij overstromingen of hongersnood. Maar het waren vooral vervolgde geloofsgenoten in buitenland die werden ondersteund.

Vanuit doopsgezinde kring was er ook aandacht voor onderwijs voor armen. Het Nut van ’t Algemeen had veel doopsgezinden onder haar leden. In de 19e eeuw kwam er wetgeving op het gebied van armenzorg. Naast overheidssteun bleef de ondersteuning vanuit de kerken. Wel was armenzorg van een recht van de armen nu een goedgunstigheid van de rijken geworden.
In de 19e eeuw werd er in combinatie met de diaconie ook zending bedreven, in eerste instantie in het toenmalige Nederlandsch Indië – vandaag Indonesië. De zendelingen brachten agrarische kennis mee, stichtten scholen en vertaalden de Bijbel in de taal van de inwoners van het land.
Begin vorige eeuw ontplooiden de doopsgezinden in Nederland, geïnspireerd door de Quakers, allerlei activiteiten, zowel met een diaconaal doel als om de Bijbel weer als inspiratiebron te gebruiken en om het geloof te verspreiden. Doopsgezind Wereldwerk en de Stichting voor Doopsgezinde Geloofsopbouw en Solidariteit zijn beide voortgekomen uit deze activiteiten.

Diaconie nu
Doopsgezinden worden soms ‘Bergrede-christenen’ genoemd. Als je als doopsgezinde gehoor wil geven aan wat ons in de bergrede door Jezus wordt voorgehouden, kan je dat individueel of samen met anderen in de gemeente doen. Dat geldt ook voor het omzien naar de ander – of gewoon: naaste worden van de ander. Er zijn heel wat doopsgezinden individueel actief bij bijvoorbeeld de voedselbank of bij vluchtelingenwerk.

In alle doopsgezinde gemeenten wordt wel diaconie in een of andere vorm bedreven, de manier waarop verschilt van gemeente tot gemeente. Sommige gemeenten hebben een ouderenpastor, die ook voor niet-doopsgezinden activiteiten ontplooit of een pastoraal diaconaal medewerker die zich inzet voor doopsgezinden en niet-doopsgezinden in de stad. Er zijn projecten in binnen- en buitenland die worden gesteund, vaak ook in samenwerking met andere organisaties of met de plaatselijke overheid. De meeste doopsgezinden zullen niet zo gauw zéggen dat ze dit werk doen in navolging van Jezus, ze zien het echter wel als belangrijke taak van hun gemeente in de maatschappij.

Er is in de loop der jaren veel veranderd in de manier waarop tegen diaconie en zending wordt aangekeken. Doopsgezind Wereldwerk en de Stichting voor Doopsgezinde Geloofsopbouw en Solidariteit werken als gelijkwaardige partners samen met de aanvragers bij projecten in binnen- en buitenland.

Lees meer:

  • Alicia Batten (2017), Early Anabaptist Interpretation of the Letter of James. Annali di Storia dell’Esegesi 34(2):537-551, https://www.researchgate.net/publication/322043377_Early_anabaptist_interpretation_of_the_letter_of_james [09.01.2025].
  • Simon Groenveld (1981), ‘Sy laeten geenen Beedelaer onder haer zyn’. Diaconale zorg voor 1900; in: Wederdopers, Menisten, Doopsgezinden: in Nederland 1530-1980, De Walburg pers, Zutphen, p 119-145.
Pagina 3 van 4 Over diaconie