Verdieping – Andrés Pacheco Lozano
Geweldloosheid is één van de kenmerken waarmee de doopsgezinde traditie sinds lang gekarakteriseerd wordt. Weigering om ‘het zwaard te dragen’, gewetensbezwaar en geïdentificeerd worden als een ‘Historische Vredeskerk’ zijn enkele uitdrukkingen van hoe geweldloosheid belichaamd is door mensen en gemeenschappen in verschillende tijden en contexten. Daarnaast heeft geweldloosheid invloed gehad op de doperse en doopsgezinde theologie, hoe we nadenken over en getuigen van ons geloof. Geweldloosheid is een bril geworden om ‘de weg van Jezus’ (christologie) te interpreteren en daardoor de persoonlijke geloofsreis (‘navolging’) te omkaderen, die diep verweven is met het leven in gemeenschap (ecclesiologie).
Geweldloosheid kan in de doperse en doopsgezinde traditie gezien worden als beschrijvend, normatief of performatief.
Een beschrijvende benadering
In een beschrijvende benadering kijken we naar de wortels van de doperse beweging en de daaruit volgende stromingen in de zestiende eeuw, om te zien hoe en in welke mate geweldloosheid vanaf het begin een hoofdthema is geweest. Sporen van geweldloosheid in de vorm van afzien van verzet, waren bijvoorbeeld aanwezig bij Conrad Grebel (prominent figuur in de vroege Zwitserse doperse beweging) die in 1524 in een ‘Brief aan Müntzer’ schreef dat ‘het evangelie en zijn aanhangers niet door het zwaard beschermd moeten worden’ en dat
‘ware christelijke gelovigen… [geen] werelds zwaard of wereldse oorlog gebruiken, daar bij hen alle doden is opgehouden – tenzij wij inderdaad nog van de oude wet zouden zijn’.
Menno Simons uit Friesland schreef in 1539:
[M]oord is bij ons onbekend, veel minder gecultiveerd en toegestaan, want wij geloven van waarheid dat een moordenaar lot noch deel heeft in het koninkrijk van God.
Gal. 5:21
Dan gaat hij verder met het beschrijven van de ‘aard van de zuivere liefde’ die is
…bidden voor vervolgers, het goede vergelden voor het kwade, zijn vijanden liefhebben, kolen van vuur op hun hoofden strooien en de wraak overlaten aan Hem die rechtspreekt.
Rom. 12:20.
Toch kunnen we ook sporen vinden waarin geweldloosheid niet gezien wordt als een belangrijk identiteits- en theologisch kenmerk. Vandaag zijn we ons bewust geworden van de polygenese van de doperse beweging. Vanaf het begin waren er verschillende opvattingen van deze beweging over hoe zich te verhouden tot de staat en hoe de kwestie van ‘het zwaard’ op te vatten. In de loop van de geschiedenis zijn er voorbeelden van gevallen waarin veranderingen in maatschappelijke positie, status en context de doopsgezinden ertoe brachten uitdrukkelijk afstand te nemen van een geweldloze houding. Alle Hoekema reflecteert op de eerste georganiseerde doopsgezinde zendingsinspanning, gemarkeerd door het zenden van Pieter Jansz naar Indonesië – toen een Nederlandse kolonie – in 1850: ‘…zoals de meeste Nederlandse doopsgezinden van zijn tijd, was hij niet principieel pacifist’. Zelfs de weigering om in militaire dienst te gaan werd soms opgeschort of afgezwakt. Jansz schreef in 1897:
Stel dat allen dienstweigeraar zouden worden – zou de vijand dan niet aanvallen? Dan hebben de dienstweigeraars hun land verraden en God zal hen veroordelen.
Een normatieve benadering
Vanuit deze benadering ligt de nadruk niet zozeer op het aantonen van hoe historisch consistent doopsgezinden zijn geweest met betrekking tot geweldloosheid, maar eerder als een ‘roeping’ die zichtbaar is geworden in verschillende tijden en contexten. Geweldloosheid en vredesopbouw kunnen geïnterpreteerd worden als identiteitskenmerken van wie we zouden moeten zijn: belichamen wat het betekent om een Vredeskerk te zijn; geweldloosheid koesteren en getuigen in de manier waarop we navolging van Jezus beleven.
Een voorbeeld van zo’n voorschrijvende tendens is ‘The Anabaptist Vision’ van de USA-theoloog Harold S. Bender. In 1943, te midden van een identiteitscrisis die de Mennonites (doopsgezinden) in Noord-Amerika in die tijd doormaakten, tracht Bender essentiële aspecten van de doperse traditie aan te wijzen, gepresenteerd als een prescriptieve visie:
- een nieuwe opvatting van de essentie van christendom en discipelschap;
- een nieuwe opvatting van de kerk als ‘broederschap’; en
- een nieuwe ethiek van liefde en weerloosheid (non-resistance).
De normatief benadering stelt ons in staat om de dubbelzinnigheden en inconsistenties in de doopsgezinde geschiedenis op te nemen. Wij kunnen stellen dat als een gemeenschap geweldloosheid en vrede niet langer als essentiële dimensies van haar geloofsgetuigenis beschouwt, dit is omdat ze die roeping niet langer kon waarmaken. Er kan beweerd worden dat deze gemeenschappen de radicaliteit van de beweging verloren hebben; dat ze status en macht verworven hebben door zich te assimileren aan de heersende maatschappij en dat ze de maatschappelijke status quo eerder zijn gaan ondersteunen dan bestrijden; dat ze belangrijke dimensies van de kern van wat het betekent om Jezus’ wegen van vrede te volgen in gevaar gebracht hebben.
Toch heeft deze normatieve benadering de neiging om geweldloosheid en vrede als statische begrippen voor te stellen: wat ze inhouden lijkt vanzelfsprekend en stabiel te zijn, ongeacht de tijd of context. Daardoor ontstaat het risico dat de positie van mensen, de ethische dilemma’s en zelfs de creativiteit waarmee daar in zeer uiteenlopende situaties mee wordt omgegaan, buiten beschouwing worden gelaten. Het belangrijkste probleem met deze statische kijk is dus dat er een grote neiging bestaat om moralistisch of zelfs ideologisch te worden over geweldloosheid.
Een performatieve benadering
Door te kiezen voor een performatieve benadering ligt de nadruk zowel op de vraag hoe geweldloosheid onze identiteit en theologie bevestigd, uitgedaagd of veranderd heeft; als op de vraag hoe we geweldloosheid op nieuwe manieren gestalte hebben gegeven naarmate we ernaar streefden haar te belichamen. Met andere woorden, hoe geloofsovertuigingen en levensechte getuigenissen zich tot elkaar verhouden en elkaar vormen. Geweldloosheid en vrede zijn geen statische concepten. Ze zijn in de loop van de tijd en de context veranderd en dat geldt ook voor ons doopsgezinden.
Er zijn ten minste vier manieren waarop geweldloosheid belichaamd is. Deze typering moet niet gelezen worden in lineaire zin of als een kader dat van toepassing is op alle doopsgezinden/mennonieten. Terwijl bijvoorbeeld dienstweigering in verschillende tijden en contexten gezien werd als een cruciale uiting van geweldloosheid, zijn er momenten in de geschiedenis geweest waarop Nederlandse doopsgezinden in militaire dienst gingen. In plaats daarvan zijn de vier typen geweldloosheid die hier gepresenteerd worden voorbeelden of uitdrukkingen van hoe geweldloosheid veranderd is, naarmate men in specifieke contexten en als antwoord op concrete situaties geweldloosheid probeerde vorm te geven.
Weerloosheid
De eerste twee typen geweldloosheid worden geïllustreerd door de Franse doperse theologe Anne-Cathy Graber. Het eerste is er een van niet-verzet, uitgedrukt in documenten zoals de ‘Schleitheimer artikelen’ van 1527, gekenmerkt door de weigering het zwaard te gebruiken, geassocieerd met ‘non-conformiteit met de wereld’ en met de noodzaak kerk en staat te scheiden. Cruciale aspecten van weerloosheid waren onder andere ’… nederigheid, afwijzing van geweld, weigering om wapens te dragen… en de afwijzing van militaire dienst.’ Dit begrip houdt verband met de vervolging die dopers en doperse gemeenschappen hebben doorgemaakt – en die tot migraties leidde. Hier wordt vaak de nadruk gelegd op lijden, of op de moeilijke weg van weerloosheid.
(Actieve) Geweldloosheid
Het tweede type komt overeen met de overgang van weerloosheid (non resistance) naar (actieve) geweldloosheid (non violence), die bijvoorbeeld te zien is in de Noord-Amerikaanse context in de twintigste eeuw. Weerloosheid werd gezien als te passief – als simpelweg weigeren om deel te nemen aan het kwaad. Er was een groeiende behoefte om een meer proactieve dimensie te benadrukken, die ook overeenkwam met de verandering in geografische locaties van de beweging: van Europa naar Noord-Amerika waar gemeenschappen migreerden en zich vestigden. Hier ontstaat een meer activistische dimensie van geweldloosheid, die radicaal getuigenis, protest, empowerment en actie omvatte.
Rechtvaardige relaties
Een derde type markeert de integratie van rechtvaardigheid om zowel geweldloosheid als vrede te kwalificeren, wat vooral prominent werd in verschillende contexten in het laatste deel van de twintigste en het begin van de eenentwintigste eeuw. Het is niet mogelijk om over vrede te spreken zonder te streven naar rechtvaardigheid. Elke vorm van geweldloosheid moet bijdragen aan de transformatie van onrechtvaardige structuren en systemen. In die zin is het begrip ‘rechtvaardige vrede’(just peace) ontstaan in oecumenische ruimten – waar doopsgezinden invloedrijk waren en zijn. Rechtvaardigheid wordt niet opgevat in juridische en oordelende termen. Het is eerder een manier om de kwaliteit van relaties te beschrijven (een rechtvaardige relatie met God, tussen mensen en met de natuur); over het benadrukken van de behoefte aan verantwoording en het uitdagen van onderdrukkende systemen (onrechtvaardige regeringen en wetten, armoede, racisme, seksisme onder andere); en het aanpakken van de behoeften van slachtoffers, daders en gemeenschappen, op zoek naar herstel van verbroken relaties (herstelrecht of restorative justice). Naast burgerlijke ongehoorzaamheid en openbare demonstraties ligt de nadruk op politieke belangenbehartiging. Verder vertegenwoordigt dit type ook de uitbreiding van de begrippen (rechtvaardige) vrede en geweldloosheid van puur intermenselijke relaties naar onze (verbroken) relaties met de natuur. Deze nadruk op gerechtigheid komt overeen met nog een andere geografische verandering in de doperse beweging: van het Noorden naar het Zuiden, waar tegenwoordig de meeste Mennonites wonen – een gevolg van migraties en zending.
Dekolonisatie
Ten slotte wordt het vierde type gekenmerkt door pogingen om de vredestheologie zelf te dekoloniseren. Er zijn stemmen opgegaan en sterker geworden die het geweld, de onderdrukking en het onrecht laten zien die worden ervaren door mensen binnen de doperse gemeenschappen of die worden uitgedragen door deze.
Een belangrijk voorbeeld in deze richting is de recente publicatie ‘Resistance. Confronting Violence, Power, and Abuse within the Peace Church’. Hierin verzamelen de redacteuren verschillende verhalen van academici, activisten, predikanten, verhalenvertellers en dichters die zich bezighouden met ervaringen van persoonlijk en systemisch geweld in verband met doperse religieuze contexten. Seksueel geweld, racisme, kolonialisme, patriarchaat, heteroseksisme en machtsonevenwichtigheden zijn enkele van de uitingen van geweld en onrecht waar verschillende stemmen in dit boek zich mee bezighouden en mee worstelen.
Op vergelijkbare wijze gaan er steeds meer stemmen op om te onderzoeken hoe begrippen als ‘geweldloosheid’ en ‘vrede’ en hun theologische redeneringen gebruikt zijn om kritische stemmen en slachtoffers in verschillende contexten en gemeenschappen te onderdrukken, het zwijgen op te leggen of te ‘pacificeren’. Deze benaderingen benadrukken nog andere specifieke dimensies van geweldloosheid: het onthullen, ontmaskeren en confronteren van kwaad en wandaden; het erkennen van het bestaan van wonden en onrechtvaardigheden, zelfs binnen ogenschijnlijk ‘vreedzame’ en ‘geweldloze’ gemeenschappen; en het oproepen tot rekenschap, herstel, berouw, genezing en transformatie. Dit vierde type is dus een noodzakelijke kritische herbezinning op de doopsgezinde/mennonitische traditie.
Deze typen van geweldloosheid laten zien hoe het principe van geweldloosheid is veranderd en nog steeds openstaat voor verandering; hoe de grenzen, uitdrukkingen, vormen van belichaming ervan zijn verschoven afhankelijk van de context, van wie ze uitvoert en in welke ruimten ze worden beoefend.
De performatieve dimensie werpt licht op de noodzaak om te verbreden en voortdurend opnieuw te onderhandelen over wat geweldloosheid is, als sleutel tot geloofwaardig navolging. Het is een oproep en uitnodiging voor ons allemaal om ons te laten transformeren als we proberen te getuigen van Jezus’ wegen van vrede.
Lees verder:
- Cameron Altaras and Carol Penner, eds. (2022), Resistance. Confronting Violence, Power, and Abuse within the Peace Church. Institute of Mennonite Studies.
- Judith Butler (2020), The Force of Nonviolence: An Ethico-Political Bind. Verso.
- Leo Driedger and Donald B. Kraybill (1994), Mennonite Peacemaking: From Quietism to Activism. Herald Press.