Verdieping – Wieteke van der Molen
Ooit ving ik de volgende uitspraak op: “doopsgezinden hebben meer een, hoe zal ik het noemen, ‘anekdotische theologie’.” En hoewel ik allang ben vergeten wie dit zei en waarom, kwam die uitspraak bij me boven bij de analyse van de gesprekken die ik voerde in het kader van dit project. Want beide gesprekken, zowel buiten- als binnenperspectief, waren sterk anekdotisch. Een open en nieuwsgierig delen van anekdotes, verhalen en ervaringen, zoekend om elkaar op een fundamenteel niveau te verstaan om vandaaruit jezelf weer beter te begrijpen. De interpretatie van een ander als een instrument om dieper door te dringen in het geheim van de eigen inspiratie. Daarbij is de interpretatie van een ander nadrukkelijk niet bedreigend, maar aanvullend en zelfs noodzakelijk. En hoewel het over ernstige zaken gaat, over het leven zelf, houdt de vorm (het uitwisselen van anekdotes en verhalen) de ruimte open.
Het buitenperspectief binnen dit thema begon vooral met vooraannames over wat geloven is, en de rol die de Bijbel daarin speelt. Jochem stak hard in. De Bijbel, daar gelooft hij niks van. “Kan niet waar zijn”. Deze stelling gaat uit van een moderne waarheidsopvatting die sterkt stoelt op het verlichtingsdenken: waar is dat wat feitelijk (getest, beproefd, aantoonbaar) waargebeurd is. En die opvatting van de waarheid gaat vaak gepaard met de idee dat geloof samenvalt met voor waar aannemen van wat niet waargebeurd kan zijn. Die grote vooraanname, dat ik geloof dat alles wat in de Bijbel staat waargebeurd is, kon echter na enkele minuten de prullenbak in.
Inspiratie en interpretatie – elkaar
Vervolgens ontspon zich een gesprek dat ik als een zachte verkenning heb ervaren. Een geven en nemen van verhalen. Zoeken naar wat jij herkent in het verhaal van de ander en dat teruggeven in een verhaal van jezelf. Anekdotes, verhalen, ervaringen, dromen, verlangens. Dit gesprek werd een legpuzzel van onze gedeelde ervaring met inspiratie. Onze bron van inspiratie is misschien een andere, maar we gaan er op dezelfde manier mee om.
We plaatsen onszelf nadrukkelijk in het verhaal van anderen die ons voorgingen, maken het ons (respectvol) eigen en geven het in onze eigen versie weer door. Inspiratie en interpretatie gaan hand in hand. We ervaren op die manier allebei dat we deel uitmaken van iets dat groter is dan wijzelf, en dat ons ook groter maakt dan wijzelf zouden zijn. Onze eigen interpretatie van dat verhaal verbindt ons met andere interpretaties. Zoals Marc-Alain Ouaknin zo treffend zegt:
Door het interpreteren wordt de mens een ‘on-eindige mens’ in een beweging van transcendentie reikend naar het oneindige.
Zowel Jochem als ik erkennen dat het verhaal waarin we onszelf respectievelijk plaatsen niet per se voor ons bedoeld is. Ieder van ons heeft op een bepaald moment bewust gekozen voor een specifieke levensstijl: hardcore voor Jochem, christendom voor mij. Die keuze bepaalt nog steeds voor een groot deel ons leven en verdere keuzes die we maken. Wat mij trof was dat we ons allebei bewust zijn van het feit dat we het grotere verhaal interpreteren, en dat we juist door de eigen interpretatie het gevoel hebben deel uit te maken van dat grotere verhaal. Het is interactief, opnieuw geven en nemen. En dat maakt ons gevoelig voor en nieuwsgierig naar wat anderen ermee doen. Naar andere interpretaties, naar andere mensen.
Het interpreteren is geen onbeduidend spelletje, maar een fundamentele houding, ja, zelfs de grond van het humane. Het is een methode die de affectieve, spirituele en intellectuele functies van de mens in beweging zet.
Ouaknin, God en de kunst van het vissen
Of, zoals Jochem zelf zegt, maar dan lekker kort: “Het maakt mij wel een beter mens, ja. Denk ik.”
Of dat grotere verhaal nu de Bijbel is of hardcore, maakt dan niet meer uit. Jochem zal misschien nooit de Bijbel lezen, en ik naar alle waarschijnlijkheid nooit naar Thunderdome gaan. Ons gesprek raakte een andere laag. Niet zozeer een kritisch bevragen op de bron van inspiratie, maar een verkennen en herkennen van hóe inspiratie en interpretatie in het leven werkt. En hoe hard je er soms voor moet (willen) werken. En precies daar vonden we elkaar. Of zoals Jochem misschien zou zeggen: “Hoorden we ineens een nieuw geluidje”. Dominee en hardcore dj. Gelijkgestemde zielen.
Gelijkgestemde zielen – metaforisch omgaan met die Bijbel, samen
Tori en Lenie, die het gesprek aangingen vanuit het ‘binnenperspectief’, waren duidelijk ook gelijkgestemde zielen. Geen moment werd bijvoorbeeld de bijbelopvatting van de ander ‘afgetast’, terwijl binnen het christendom toch wel degelijk verschillende opvattingen leven. Marcus Borg bijvoorbeeld onderscheidt in zijn Het hart van het christendom twee paradigmata waarbinnen christenen met de Bijbel omgaan. Het eerste paradigma ziet de Bijbel als Goddelijke openbaring, als Gods Woord. Het tweede beschouwt de Bijbel als verhalen van mensen van lang geleden over hun ervaringen met God. Zowel Tori als Lenie beschouwen de Bijbel zonder enige twijfel als ‘mensenwerk’ en plaatsen zichzelf daarmee ferm binnen het tweede paradigma.
Borg noemt vervolgens drie niveaus waarop we de bijbelteksten kunnen verstaan: het historische niveau, het metaforische niveau en het sacramentele niveau. En eigenlijk zien we ook deze niveaus terug in dit gesprek.
De context waarin die verhalen zijn ontstaan is belangrijk voor beiden, belangrijk én fascinerend. Het helpt hen om de tekst beter te begrijpen, om over aanvankelijke weerstand heen te stappen, om zich te verdiepen. Maar de eventuele oorspronkelijke betekenis van de teksten is niet zaligmakend. Het gaat bij beiden om wat je er vervolgens mee doet in je eigen leven, en daar raken ze direct aan het tweede niveau dat Borg onderscheidt, het metaforische.
Metaforische taal is een uitnodiging om op specifieke wijze naar de dingen te kijken. De verhalen nodigen ons uit om de werkelijkheid en onze eigen levens vanuit dit perspectief te bezien.
Borg, Het hart van het christendom
En dat vervolgens leidt tot de derde, sacramentele laag in het omgaan met de Bijbel. Het is juist in dat metaforische omgaan met die bijbelteksten dat er besef ontstaat van het heilige. ‘De woorden van de Bijbel bemiddelen namelijk in de ervaring van christenen de werkelijkheid waarover ze spreken.’ Die teksten vormen na verloop van tijd het kader waardoor je de wereld ziet en interpreteert. Zo wordt Lenie zich door die teksten bewust “dat je deel uitmaakt van een groter geheel dat veel groter is dan je ooit kunt begrijpen. En dat je daar een heel klein draadje van bent…”.
Beiden benoemen dat het uiteindelijk gaat om de wijze waarop die tekst doorwerkt in het leven van de hoorders. En daarbij tekent zich een aspect af dat Borg niet noemt, maar dat hier essentieel lijkt te zijn. Beiden noemen nadrukkelijk de noodzaak je niet alleen tot de bijbeltekst te verhouden, maar er vooral ook over in gesprek te gaan. Het is niet alleen jouw ervaring met de tekst zelf, maar ook de ervaring van de ander met die tekst die jouw eigen verhaal verdiept, verscherpt en vormgeeft. Daarbij gaat het niet louter om een exegetische uitleg, integendeel.
Ouaknin citeerde Catherine Chalier om dit uit te leggen:
Er is interpretatie om te tonen dat in tegenstelling tot de beweringen van de ideologie, betekenis zich geduldig opbouwt, dat de betekenis zich niet identificeert met een vaststaande waarheid waarvan het zou volstaan je die eens en voor altijd eigen te maken en ze aan de anderen op te leggen.
Of zoals Lenie het verwoordt:
Dat je dan door elkaars verhalen kunt begrijpen hoe het kan dat een ander het anders ziet. Je komt verder in je denken, want je ontdekt dat het niet zo zwart-wit is als je graag zou willen. En dat helpt je in een volgend gesprek weer verder.
Het gesprek met de ander als een wapen tegen de-waarheid-in-pacht-hebben. Het besef dat ieder omgaan met bijbelteksten noodzakelijkerwijs interpretatie is, en dat al die interpretaties samen een onmetelijke rijkdom in zich dragen. En dat je daar alleen maar beter van kunt worden. Of met de woorden van Ouaknin:
(…) gaat er niet om de tekst beter te begrijpen, of God beter te begrijpen: dat zou een manier zijn om zich God toe te eigenen, het oneindige op te sluiten. Nee, het gaat erom de tekst zo te interpreteren dat het woord dat hij bevat – en dat enig is – op een meervoudige manier begrepen wordt. En het is die meervoudigheid die vrijheid wordt, van God en de mensen.
Tegelijkertijd zijn beiden zich ervan bewust dat de vrijheid tot (het uitwisselen van) interpretatie niet vanzelfsprekend is, en niet makkelijk ook. Laat die worsteling maar zien. Het verhaal mag niet te glad, te makkelijk, te harmonieus zijn. Dit is een aspect dat overigens ook uit het gesprek met Jochem naar voren komt. Authenticiteit is belangrijk. Het moet doorlééfd zijn, echt. “Gesneden en gedroogd, dat zegt me niks”, zegt Lenie terecht.
Zo’n anekdotische omgang met de tekst, God en elkaar brengt verantwoordelijkheid met zich mee. Een verantwoordelijkheid om ‘écht’ te zijn, om je te laten kennen. Naar de tekst, naar jezelf en naar de ander. En misschien zelfs naar God.
Lees verder:
- Eep Talstra (2024), De bijbel als biografie van God en mensen. Geschiedenis en hergebruik van teksten, Amsterdam.
- Marc-Alain Ouaknin (2016), God en de kunst van het vissen, Tielt.
- Marcus J. Borg (2010), Het hart van het christendom. Modern geloof en traditie, Kampen.
- Jonathan Sacks (2020),Genesis, boek van het begin, Middelburg.
- —, (2020), Exodus, boek van de bevrijding, Middelburg.
- —, (2020), Leviticus, boek van het heilige, Middelburg.
- —, (2022), Numeri, boek van de woestijnjaren, Middelburg.
- —, (2024), Deuteronomium, boek van de samenleving, Middelburg.