Nick en Renze
Gesprek tussen Nick Everts (1992), predikant Doopsgezinde Gemeente Groningen en Renze Pieter Yetsenga (1944), emerituspredikant
Nick: Kun jij iets zeggen over je eigen ervaring met de doop?
Renze: Ik begon in een combinatie van drie kleine doopsgezinde gemeenten. En daar had ik al vrij gauw het tweede jaar één dopeling. Dat was een jonge vrouw die ook de zondagsschool leidde. Zij wilde zich graag laten dopen en heeft ook belijdeniscatechisatie gevolgd. Dat was mijn, maar wel tussen aanhalingstekens, eerste dopeling. Want ik vind altijd: de gemeente heeft de dopeling en niet een dominee. Maar het was toch wel heel bijzonder, ja.
Ik moest ook tegelijk toen denken aan mijn eigen doop, in 1963 in de Hervormde Kerk. Want mijn ouders hadden mij niet laten dopen. Mijn vader was niet anti, maar ging nooit naar de kerk. En mijn moeder was heel actief in de dorpskerkgemeente. Vrijzinnig hervormd van signatuur. En op een bepaald moment besloten een hele goede vriend van mij en ik ons na catechisatie te laten dopen. Toen ik van de doopsgezinde vredesgroep en dienstweigeren overstapte naar de doopsgezinden, was ik daar wel blij mee.
Nick: Wat is voor jou het verschil tussen kinderdoop en volwassendoop en is dat veranderd in onze geschiedenis?
Renze: Nou, ik denk dat het niet meer die enorme grote spanning heeft. Zoals ook nog vrij lang in een paar Nederlandse doopsgezinde gemeenten, bijvoorbeeld Ameland, waar de doopsgezinde gemeente toen altijd nog iets had van wie als kind gedoopt was, die moest zich weer laten dopen. Maar wij hebben hier in de gemeente Groningen een paar keer gehad, dat mensen al als kind gedoopt waren. De meeste mensen hadden daar ook echt wel moeite mee. “Moet ik me dan nog een keer laten dopen? Die doop is toch eenmalig?” Maar er waren er ook een paar bij die heel bewust zeiden: “nee, ik wil die doop echt beleven”. Toen ik mij over liet schrijven naar de doopsgezinden, heb ik ook een belijdenis geschreven.
Nick: Hoe was dat voor jou?
Renze: Nou, ik vond het schrijven van die belijdenis waardevol voor mezelf. Mijn in 1972-1973 geschreven belijdenis is één groot brok idealisme. Zo van, als we nu allemaal even flink ons best doen, dan moet het Koninkrijk van Vrede en Gerechtigheid toch echt binnen handbereik zijn.
Nick: Maar ja, dat is niet helemaal de situatie waar we nu een paar jaar verder staan. Heb je dan spijt van dat je een wat idealistische belijdenis had?
Renze: Nee. Het is echt een tijdsbeeld en ik wil niet zeggen dat dat idealisme helemaal weg is. Het blijft voor mij waardevol.
Ik heb ook met verschillende gesprekskringen belijdenisteksten besproken. Sta je er nog achter? Zou je het anders willen zeggen? Dan heb je het echt even over iets heel kernachtigs. Er waren mensen bij die dachten, ”ik heb het heel bewust zelf helemaal opgeschreven.” En voor sommigen was het een zware bevalling. Maar we hadden ook iemand in die groep die zei, “ik heb die belijdenis niet geschreven, maar ik wil het u zeggen: “Ik geloof in God, ik geloof in Jezus, ik geloof in de kracht van de Heilige Geest en ik ben zo dankbaar en zo blij dat ik lid mag worden van de doopsgezinde gemeente”. “Amen”, zei ze er achteraan. Wie ben jij als kerkraad dan dat je zegt van dat accepteren we dus niet. Haha.
Nick: Is er ooit iemand geweigerd?
Renze: Nee, ik heb weleens iemand gevraagd om de belijdenis te herschrijven, omdat die zo aanvallend was richting de kerk waar die uitkwam.
Nick: In Groningen vieren we met Pinksteren doopjubilea. Mensen die vijf jaar of een veelvoud daarvan geleden hun doop of belijdenis hebben meegemaakt. Mensen kunnen zich dan verhouden tot wat ze toen opschreven. En sommige dingen zou je iets anders zeggen. Ja. Dat er op zo’n open manier over wordt gesproken.
Renze: Klopt. Dat heeft ook iets moois vind ik.
Nick: Is de doop iets wat echt leeft, of zouden we ook net zo goed zonder die doop kunnen?
Renze: Ik vind dat het niet zonder die doop kan. Maar het is wel ruimdenkender geworden. Vroeger werd je na de doop ook toegelaten tot het avondmaal. Dat werd in onze kringen wat opener. En toen kwam het zelfs voor dat mensen twintig, dertig jaar ‘vriend’ of ‘belangstellend lid’ van de gemeente waren en zich dan ineens toch nog lieten dopen.
Maar voor mij heeft de doop persoonlijk, gevoelsmatig en qua geloofsbeleving echt wel betekenis. Het was voor mij een soort van opdracht vanuit het evangelie: Van nu hoor je er helemaal bij. Maar ik zal nooit zeggen als iemand niet gedoopt is: “die hoort er niet bij.”
Nick: Ik was bijvoorbeeld als kind gedoopt in een andere kerk en niemand heeft me bij de start als predikant verplicht om nog eens gedoopt te worden. Ik wilde het juist zelf om symbolisch de betekenis van de doop ‘opnieuw’ te omarmen. De betekenis van de doop zit voor mij niet in de vraag of je erbij hoort of niet. Zo is het in de geschiedenis wel geworden en daar worstelen we nog mee. Ook omdat steeds minder mensen zich committeren aan een gemeenschap. Als mensen ‘lid’ willen worden, is er toch die vraag: “Ga je je nog laten dopen?” Dat kan zowel een drempel als een cadeau zijn. Het dwingt je om na te denken: “Waar sta je voor en wat geloof je?”
Renze: Toen ik mij liet dopen had ik in dat jaar daarvoor met die belijdeniscatechisatie zoiets van, ik wil Jezus volgen en dat ook uitspreken. Dat kun je verschillend verwoorden, bijvoorbeeld ‘bad der wedergeboorte’ en ‘met Christus gestorven en weer opstaan’ door het water heen. Maar ik hoefde niet ondergedompeld te worden. De besprenkeling met water was voor mij het teken.
Nick: Eerst zei je zo van, als predikant doop je eigenlijk niet. De gemeenschap doopt. Kun je daar iets meer over zeggen?
Renze: Iemand treedt niet toe tot een dominee, maar tot de gemeente. De dominee heeft daar een functie: die begeleidt mensen. En als het goed is trek je, niet dwangmatig, met mensen op richting het gedoopt worden. Ook als mensen zeggen van “nee, ik ben er toch nog niet helemaal klaar voor, dus ik kom volgend jaar terug.”
Nick: Voor mij was het moment dat ik mijn geloofsgetuigenis uitsprak, en de gemeente “ja” zei op de vraag “nemen jullie Nick aan als je broeder in jullie gemeente?”, hét moment. De doop of het water was een belangrijke markering van wat daarvoor al was gebeurd. De gemeenschap zei “ja” als antwoord op wat ik van mezelf liet zien. Het gaat niet alleen over wat ik geloof. Als ik één van jullie mag zijn, dan wil ik ook de weg door het water gaan.
Klopt het trouwens dat jij betrokken was bij een interkerkelijk gesprek in Nederland rondom (acceptatie van elkaars) de doop?
Renze: Op een bepaald moment in de Nederlandse Oecumenische Raad ging het over de doop met de vraag of de kerken elkaars doop konden accepteren. Dat heeft uiteindelijk geresulteerd in het ondertekenen van een formulier. Maar er waren toen twee uitzonderingen: de baptisten en de doopsgezinden.
Nick: Volgens mij omdat we in principe de kinderdoop wel kunnen aanvaarden of erkennen, maar wij niet zo ver gaan dat we zeggen dat als iemand zich opnieuw zou willen laten dopen, dat we dat niet doen.
Ik ben als kind gedoopt en had niet de behoefte om ‘overgedoopt’ te worden. Maar ik wilde wel iets doen rondom dat ritueel met water. Dus ik heb een tekst laten uitspreken, waarin ik erkende als kind te zijn gedoopt en nu opnieuw de weg wil gaan door het water. Ik heb me als het ware de door mijn ouders uitgesproken doopgeloften eigen gemaakt. Later mocht ik iemand anders dopen die bewust de doop opnieuw wilde doen. Toen was ik blij dat we die mogelijkheid wel hebben.
Wel vroeg ik me af of onze volwassendoop wel in andere kerken geaccepteerd wordt.
Renze: We hebben vaak discussies gehad over geboortedankzegging van pasgeborenen. Een moment om de dankbaarheid van de geboorte te delen met de gemeente en te hopen op steun in de opvoeding. Lijkt dat niet te veel op een doopdienst?
Nick: Nee, ik vind het mooi om de gemeente te betrekken bij een opgroeiend kind. Tegelijk vind ik het belangrijk dat iemand eerst opgroeit voordat diegene een bewuste keuze kan maken. Stel je voor: de doopsgezinden zouden nu opnieuw ontstaan. Denk je dat wij nog steeds de naam ‘doopsgezind’ zouden kiezen?
Renze: Omdat wij dus ook met de “Mennoniten-Gemeinde Hamburg-Altona” samenwerken en er in Friesland bijvoorbeeld gesproken wordt over ‘menist’, zou ik ook goed met de term ‘mennoniet’ kunnen leven.
Nick: Ik vind het wel jammer dat we wereldwijd overal ‘Mennonites’ heten, maar in het land van Menno Simons ‘doopsgezind’ heten.